Onderwijs en Vrijheid

Over Onderwijs en Vrijheid

Een aantal gebeurtenissen in oktober en november hebben me aan het denken gezet omdat ze verband met elkaar lijken te hebben. Allereerst de publicatie vlak na elkaar van twee grote artikelen in de Volkskrant: “De leraar is mak gemaakt” op 18 oktober en “Leraren nieuwe stijl doen het vooral samen” op 24 oktober. Wie heeft ze gelezen? Tegenstrijdige berichten? Wat is er nu eigenlijk aan de hand? Vervolgens had ik een lang gesprek met een collega over onderwijs, mezelf en schoolorganisatie. En in die periode las ik “De verovering van de vrijheid“ van Alicja Gescinska. Puzzelstukjes die voor mij in elkaar lijken te vallen en waaruit mijn bezorgdheid over het onderwijs in Nederland te duiden is en mijn zorg over het schoolorganisatie in het bijzonder.

Dit stuk gaat dus niet over de Grondwettelijke vrijheid van onderwijskeuze, maar over wat vrijheid in het onderwijs voor goed onderwijs betekent. Ik zal daartoe eerst goed onderwijs schetsen en steun daarbij sterk op de ideeën van met name Gert Biesta. Vervolgens zal ik het begrip vrijheid toelichten en hanteer daarbij de indeling in positieve en negatieve vrijheid zoals die gebruikelijk is in het filosofisch discours. Tot slot verbind ik beide elementen en zal schetsen wat er volgens mij aan de hand is in onderwijsland en duid daarmee de artikelen in de Volkskrant. Ik eindig met het uiten van een zorg om de ontwikkeling op het vlak van schoolorganisatie.

Onderwijs

Dat onderwijs in onze maatschappij in relatie staat tot democratie en burgerschap zal niemand betwijfelen. Dat maakt dat onderwijs meer is dan leren alleen. Onderwijs begeeft zich op drie terreinen tegelijk waarvoor in het publieke domein verantwoording zal moeten worden afgelegd. De drie terreinen zijn: kwalificatie, waar het gaat om het overbrengen van inhoudelijke maatschappelijke kennis en vaardigheden die het publieke domein nodig acht; de socialisatie, waar het doen en zijn in de maatschappij zelf centraal staat; de subjectivicatie waar het gaat om zelfstandigheid en verantwoordelijkheid van het individu. Deze terreinen zijn in synergie verbonden, maar roepen ook onderling spanningen op. Het zoeken naar de balans tussen deze terreinen in de dagelijkse praktijk van het onderwijs is de kern van het werk van docenten. Dat is een lastig proces, maar ook interessant door het scheppende en het creatieve dat in dit proces nodig is. Onderwijs heeft in het kort als taak het zijn van het individu in verbinding met de wereld mogelijk te maken. Goed onderwijs gaat verder dan alleen kwalificatie en is dus ook iets anders dan effectief onderwijs dat resultaat gericht is of excellent onderwijs dat competitie en concurrentie gericht is. Goed onderwijs gaat over onderwijs dat voor iedereen goed is. Dat maakt dat de taal van het leren alleen niet voldoende zal zijn voor het gesprek over het goede onderwijs.

Vrijheid

In het filosofisch discours wordt onderscheid gemaakt tussen negatieve en positieve vrijheid. Negatieve vrijheid is de vrijheid zonder grenzen, de vrijheid waarin alles mag, waar geen goed of kwaad is. Dat maakt de negatieve vrijheid amoreel en alleen het schadebeginsel stelt aan die vrijheid nog grenzen. Immers alles mag zolang een ander daar geen schade van ondervindt. Maar dat maakt al het handelen doelloos en zelfs zinloos en het individu kan komen in een toestand van pure verveling, van eenzaamheid of zelfs van angst voor het zinloze leven zelf. Het zich in de negatieve vrijheid niet kunnen verhouden tot anderen creëert eigen dogma’s over wat behoort of zou moeten behoren. Het gevoel van angst en zinloosheid kan ook de paradox van de ‘gelukkige slaaf’ doen ontstaan. Het individu accepteert een totalitair regiem dat hem kader geeft waartoe hij zich in, vaak negatieve zin, kan verhouden, daar de negatieve vrijheid hem dat niet kan geven. De ‘gelukkige slaaf’ wordt uitvoerder in opdracht van het regiem en projecteert alle ongenoegen op het regiem. Immers hij kan er niets aan doen als het allemaal niet zo loopt zoals het zou moeten. De opdrachtgever is daar voor verantwoordelijk daar die de randvoorwaarden beheert, de verantwoordelijkheid heeft en de opdracht geeft.

Positieve vrijheid is een vrijheid die continu bevochten moet worden, waar steeds aan moet worden gewerkt. Het is de vrijheid waarin het doen van het goede voorop staat. De vrijheid waarin het individu zich moet verhouden tot anderen en de maatschappij. Een vrijheid die groeit door de zelfverwezenlijking van het individu in relatie met en in dialoog met anderen. Het accepteren van de afhankelijkheid en de twijfel in die relatie zijn de drijfveer van dit proces. Het samen werken aan het beter worden vergroot de positieve vrijheid van het individu en de gemeenschap. Dat maakt het leven zinvol en door het morele karakter van het doen van het goede is geen directe autoriteit van buiten nodig.

Onderwijs en Vrijheid

Door de maatschappelijke taak van het onderwijs, het verzorgen van goed onderwijs in brede zin, verhoudt het zich als vanzelf tot het doen van het goede zoals in een positieve vrijheid normaal is. School is in zichzelf een morele gemeenschap die niet alleen op het product en de resultaten gericht kan zijn, maar ook op het proces van zelfverwezenlijking, zelfverwezenlijking van de leerlingen, maar ook die van de docenten en zelfs van de school als geheel. De school als gemeenschap waar samen wordt gewerkt en geleerd. Een gemeenschap waar steeds gewerkt wordt aan beter worden, waar afhankelijkheid en twijfel geaccepteerd en benoemd worden. Een gemeenschap waar in dialoog en vertrouwen verantwoording wordt genomen voor elkaar en voor het proces. Waar men elkaar in dat proces de maat mag meten omdat men het eens is over die maat. Waar men een gezamenlijke verantwoordelijkheid heeft en elkaar daar op kan aanspreken in een sfeer van positieve vrijheid.

De huidige ontwikkeling in onderwijsland van een opkomende nationale en internationale meetcultuur staat dit echter in de weg. Het meten wordt de norm, wordt het doel en de cijfers, met hun korte termijn effect, zorgen voor een blikvernauwing. Dat wat we meten moeten we belangrijk vinden en dat versterkt een eenzijdige nadruk op het terrein van de kwalificatie. Een nieuw dogma, of beter een syndroom, ontstaat, het ‘teaching for the test’. Bijkomende verschijnselen van dit proces zijn falen en faalangst en competitie en egoïsme, kortom het ontstaan van een prestatiecultuur. Als dit samen valt met het ontstaan van een negatieve vrijheid voor docenten ontstaat de ‘gelukkige slaaf’, de misschien wel erg vrije docent die kan doen en laten wat hij wil en zo zijn eigen dogma’s creëert. Maar die vrije docent accepteert gelijk ook het totalitaire regiem van de meetcultuur omdat hij zich zo kan verschuilen achter de opdrachtgevers en alle schuld kan afschuiven op de organisatie en de bureaucratie.

Onderwijs alleen maar zien als leeropbrengsten en de nadruk op de controle hiervan en het beheersen van het proces er naar toe maakt het onderwijs machinaal. Daarmee verdwijnt het mooie experiment van goed onderwijs dat we met elkaar en met de leerlingen aangaan. Het in positieve vrijheid afleveren van individuen die zich verhouden tot en verbinden met de wereld in een proces van zelfverwezenlijking. Dit proces en alle risico’s daarvan moeten we bewust samen aan willen blijven gaan. En dat kan door de positieve vrijheid in scholen vorm te gaan geven. Door in dialoog de professionaliteit en het goede onderwijs verder te ontwikkelen. Door zo te komen tot de zelfverwezenlijking van de school als geheel. Door gezamenlijk de kern van het onderwijspedagogisch vakmanschap op te pakken: het samen maken van het curriculum op de drie terreinen en het samen uitvoeren daarvan. Zo ontstaat solidariteit in plaats van het individualisme in de negatieve vrijheid. Cijfers en meten zullen nog steeds een plaats hebben omdat het bijdraagt aan inzicht over het effect van ons onderwijs. Maar cijfers als kwalificatie instrument zijn niet genoeg. Ook proces en ontwikkeling zullen beoordeeld moeten worden zodat leerlingen zich kunnen verhouden tot dat waarbij wij ze helpen zichzelf te ontwikkelen: de socialisatie en de subjectivicatie.

De Krant en schoolorganisatie

Ik wil nu terug naar het begin.

In “De leraar is mak gemaakt” herken ik de ontwikkeling van de negatieve vrijheid en de gevolgen daarvan. Onder de druk van tijd, werk, controle en van buiten opgelegde veranderingen vindt er een vereenzaming van de docent plaats, er is geen voldoende tijd en ruimte meer voor dialoog over goed onderwijs. Daar tegelijk de meetcultuur in opkomst is schept dat de paradox van de ‘gelukkige slaaf’ en de docent legt alle schuld bij de organisatie en de bureaucratie.

In “Leraren nieuwe stijl …” herken ik een initiatief bij docenten om de positieve vrijheid te herpakken en vorm te geven. Het samen werken in een leergemeenschap en zo vorm geven aan de ontwikkeling van goed onderwijs is de “Leerkracht” van docenten.

In scholen zie ik door de manier waarop ik zelf en vele andere collega’s functioneren, handelen en reageren de paradox van de ‘gelukkige slaaf’ ontstaan, waarbij men zich afzet tegen de organisatie en de bureaucratie in school. Veel scholen hebben in de afgelopen jaren door de behoefte de organisatie goed neer te zetten te veel een negatieve vrijheid voor docenten gecreëerd. De tegelijk ontstane cultuur van meten, controle en beheersen heeft dit versterkt.

Het wordt tijd dat we ons daar uit los maken en de positieve vrijheid op school vorm gaan geven. Zo kunnen we weer samen ons onderwijspedagogisch vakmanschap oppakken en goed onderwijs verder ontwikkelen. Samen solidair met Leerkracht.

November 2014,

Erik Wormhoudt

Een reactie plaatsen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: