Levenskunst

Levenskunst: een nieuw nationaal schoolvak?

Inleiding

Er is veel aan de hand in de maatschappij en in de belangrijkste component daarvan, het onderwijs.

Er is sprake van doorgeschoten nadruk op cognitie om de kenniseconomie te kunnen blijven voeden. Willen we kinderen echt al hun talenten als cognitie, creativiteit en handvaardigheid laten ontwikkelen of diskwalificeren we een groot deel van hen door de eenzijdige nadruk op cognitie? Nussbaum (2011) en Robinson (2011) ageren hier tegen. 

En de illusie dat ons onderwijs gelijke kansen biedt, maar voorbij gaat aan andere bepalende factoren zoals Dronkers (2007), Ruijs (2011) en Karstens (2011) betogen. Willen we een maatschappij waarin ieder kind echte kansen heeft of sturen we aan op sociale reproductie en versterkte maatschappelijke segregatie?

En dan de toename van ‘dikke ikken’ zoals Kunneman (2005) signaleert. Willen we naar een maatschappij van individuen die zich met grote kracht in de openbare ruimte manifesteren? Naar doorgeschoten moderne, welvarende, autonome individuen die onverschillig, lomp en soms gewelddadig gedrag vertonen? Willen we een maatschappij waarin individuen erkenning eisen van handelingsvrijheid en onvoorwaardelijk respect voor individuele verlangens en opvattingen? Willen we een maatschappij met voortdurend wrijvingen en waarin anderen opzij geduwd en overstemd worden en individuen, groepen en culturen als achterlijk opzij geschoven?

Het lijkt mij dat we hier zo langzamerhand genoeg van hebben en het een halt toe willen roepen. Ik denk dat het goed is om hier in het onderwijs aandacht aan te besteden. Dat zou kunnen als we een nieuw schoolvak introduceren dat kinderen leert met de huidige maatschappelijke verhoudingen om te gaan: levenskunst.

Waar komt de ‘dikke ik’ vandaan?

Dohmen (2011) komt tot een synthese van onder andere de analyses van Nietzsche (1988), Taylor (1989), Foucault (1996) en Kunneman (2005). Volgens Dohmen heeft de moderne mens geen duidelijk antwoord meer op de vraag wat het goede leven inhoudt. Dat werd ons lang aangereikt door religieuze, politieke en opportunistische praktijken. Maar het staat niet langer aan de hemel geschreven, volgt niet meer uit sociale arrangementen en is niet dat wat de markt te koop aanbied. De dominante liberale ideologie van het recht op zelfbeschikking en niet-inmenging drijft de mens in een negatieve vrijheid1. Door de wens helemaal zichzelf te zijn, het verlangen naar authenticiteit, is men doorgeschoten in een vorm van individualisering die de oorzaak is van het uiteenvallen van gemeenschappen en het einde is van tradities. De mens wordt daardoor geheel op zichzelf teruggeworpen in eenzaamheid. En het wordt voor die autonome mens steeds complexer doordat de maatschappij een enorme keuzevrijheid en een waardenpluralisme ontwikkelt. Er ontstaat voor die individuele mens een gebrek aan samenhang en diepgang, er zijn geen duidelijke handelingscriteria meer en dat zorgt voor veel onzekerheid en innerlijke verdeeldheid. De mens vlucht naar datgene wat hij denkt te kennen: het ik als maat der dingen. Egoïsme, achteloosheid en onverschilligheid liggen dan op de loer als gevolg van een gebrek aan zelfkennis en de neiging tot zelfoverschatting. Het idee van onkwetsbaarheid en onafhankelijkheid is de mythe van de autonomie. Dat geeft de mens het idee alles zelf te kunnen beslissen los van geschiedenis, natuur en samenleving.  Men wordt onverschillig jegens zichzelf door gering zelfrespect, onzekerheid en innerlijke verwarring. Men zoekt onmiddellijke en actieve verwerving van geluk en erkenning, men is zijn geduld kwijtgeraakt. Men verwaarloost solidariteit en burgerschap, verhoudt zich op een instrumentele manier tot natuur, milieu en intieme relaties. Men heeft gebrek aan maatstaven voor organisatie en coördinatie van publiek en persoonlijk leven en slaat door naar verabsolutering van het ik: de dikke ik.

Levenskunst: nieuwe morele educatie.

Eigenlijk is de vraag van de levenskunst verre van nieuw. In de klassieke oudheid was dit een van de belangrijkste vragen voor de mens. Aristoteles, Socrates, Epicures, de Stoa en de Cynici hebben hier allen een antwoord op geformuleerd. Antwoorden die de basis voor de westerse samenleving zijn geworden. De kern van de antieke levenskunst was echter altijd zelfonderzoek, onderzoek of denken en doen overeenkwamen en dat altijd in een sociale praktijk met grote sociale betrokkenheid. Dohmen (2011) signaleert dat in het zoeken naar een oplossing voor de problematiek van de huidige maatschappij hier een vruchtbare kern ligt. Veel filosofen zoals Kant (1997), Hadot (2004), Foucault (1996) en Taylor (1989) grijpen hier ook op terug in hun analyses.

De kern van die analyses is dat vrijheid en zelfstandigheid altijd relatief, relationeel en dynamisch zijn. Mensen beschikken vrijwel nooit helemaal en soms zelfs helemaal niet over zichzelf. Vrijheid wordt daarmee geen uitgangspunt (negatieve vrijheid) maar een opdracht, een moeizame verworvenheid. Volgens Foucault (1996) is de moderne individu niet alleen het resultaat van zelfbepaling, maar ook van openlijke en verborgen disciplinering. Elke tijd heeft zijn eigen wetten, regels en codes die de speelruimte geven voor het ontwikkelen van het eigen; de positieve vrijheid. Kant (1997) zag de mens als beperkt en onmachtig, alleen, samen met anderen. Het hanteren van die machteloosheid, het zelfbeheer zag Kant als levenskunst. Het humanisme wil via de levenskunst afrekenen met de dubbele mythe die is ontstaan: die van almacht en slachtoffer. Levenskunst moet de mens helpen in concrete vrijheidspraktijken zijn verantwoordelijkheid te leren nemen.

Volgens Dohmen (2011) ligt – vanuit de humanistische visie – het idee van zelfrespect aan de basis van de moraal. De kwaliteit van het leven wordt dan ook mede bepaald door zelfzorg en verantwoordelijkheid voor jezelf. Dohmen ziet als kernvelden van de levenskunst: positieve vrijheid, zelfkennis, handelen, waarderen en context. Bij de positieve vrijheid gaat het om de invulling daarvan op basis van zelfbepaling en zelfzorg. Het is de zoektocht naar een persoonlijke levenshouding van waaruit je betrokken bent op de wereld. Het is een proces van een leven lang leren. Voor het verkrijgen van zelfkennis is het nodig om in sociale contexten te komen tot zelfreflectie op basis van dialoog. Bij het handelen gaat het om inzicht en daadkracht. Het gaat daarbij om het ontwikkelen van praktische wijsheid op basis van zich goed informeren, leren kiezen, samenhang bewaken en het kunnen legitimeren van het handelen (authenticiteit). Bij het waarderen gaat het om een werkelijk moreel zijn in de zorg voor anderen, vanuit een persoonlijke waardenoriëntatie die cultureel ontwikkeld is. Bij de context gaat het niet alleen om allerlei tijdsprocessen met een eigen dynamiek, maar ook om de maatschappelijke context. Het gaat om je te leren verhouden tot allerlei claims en verwachtingen die dynamisch zijn binnen de maatschappelijk georganiseerde praktijk.

Dit is voor ieder mens een enorme taak. Waarin we veroordeeld zijn tot een eigen zoektocht en allemaal verantwoordelijk zijn voor ons eigen levenslot. En toch hoeven we dit niet allemaal zelf, in eenzaamheid, te ontwikkelen. Juist niet, juist vanuit de sociale betrokkenheid kunnen we elkaar hierbij helpen. Voor leerlingen, adolescenten, lijkt mij het goed deze levenskunst al te oefen en te ontwikkelen. In de veiligheid van de eigen groep, onder begeleiding van betrokken docenten kan hiermee in school al een begin worden gemaakt. We kunnen leerlingen helpen regelmatig te reflecteren op persoonlijke en algemene omstandigheden. Ze leren bewust te leven. Ze helpen te onderzoeken welke waarden en leefregels ze er daadwerkelijk op na houden. Ze leren te onderzoeken wat er echt toe doet. Ze te oefenen in zelfexpressie. Ze te helpen hun eigen waarden in concrete handelingen uit te drukken. Ze leren zich te legitimeren vanuit hun eigen waarden. En een houding helpen ontwikkelen waarin ze zich regelmatig door anderen laten adviseren.

Het oefenen in de levenskunst zou volgens mij natuurlijk binnen een aantal bestaande schoolvakken kunnen worden ingebouwd. De kans bestaat mijns inziens dan wel dat het te versnipperd wordt aangeboden en het de leerlingen niet beklijfd. Om hier aan tegemoet te komen moeten scholen het of integraal in hun onderwijs doorvoeren als een nieuwe pedagogische opdracht of als nieuw vak invoeren waarin onderdelen van bijvoorbeeld maatschappijleer, godsdienst en leerlingbegeleiding terug te vinden zijn naast de levenskunst.

Tot slot

Het gaat bij levenskunst niet om een glossy levensstijl, noch om etiquette en omgangsvormen. Het is niet een nieuwe kunst van het genieten, noch een nieuwe vorm van dogmatiek. Het gaat om het kennen van jezelf, het ontwikkelen van daadkracht, verschil durven maken, het juiste ogenblik kunnen kiezen en te letten op de sociale context. Levenskunst staat los van politieke, religieuze of opportunistische stromingen. Met Dohmen ben ik van mening dat met deze vorm van zelfzorg en sociale verantwoordelijkheid we leerlingen werkelijk zelfredzaam kunnen maken in de maatschappij van enorme keuzevrijheid en waardenpluralisme. Tegelijk gaan we volgens mij dan effectief de strijd aan met het dikke-ik-tijdperk, een strijd die van de maatschappij weer een samenleving kan maken.

1 Isaiah Berlin bschrijft het onderscheid tussen negatieve en positieve vrijheid in zijn essay Twee opvattingen over vrijheid uit 1958.

Vorige bericht
Volgende bericht
Een reactie plaatsen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: